BD.6616 De vrees voor de dood De dood is maar een doorgang tot het leven dat eeuwig duren
zal. En u, mensen zou allen de dood niet hoeven te vrezen als uw levenswandel
op deze aarde naar Mijn Wil zou zijn, als u deze aardse weg in de goddelijke
orde afgelegd zou hebben, zou u ook geen schrik overvallen in het aangezicht
van de dood. Uw ziel zou zich verheugen het aardse lichaam te kunnen ontvluchten
- om in haar Vaderland binnen te mogen gaan waar het aardse lichaam geheel
overbodig is. Maar toch kan niet van een vergaan gesproken worden, integendeel
wacht de ziel een vrij leven vol van licht en kracht. Jezus Christus is
op de derde dag uit Zijn graf verrezen. Hij heeft u getoond dat er geen
vergaan is na de lichamelijke dood. Hij heeft u het bewijs gegeven dat
een juiste levenswandel, een verandering van een aards in een geestelijk
lichaam ten gevolge heeft, dat de mens blijft bestaan en alleen zijn omhulsel
een verandering heeft doorgemaakt, die echter voor het verblijf in het
geestelijke rijk onvoorwaardelijk nodig is. En u allen zou deze verandering
bij uzelf tot stand kunnen brengen, en dan zou de dood waarlijk zijn prikkel
hebben verloren. Maar omdat u mensen niet gelooft aan een leven na de
dood, blijft u in gebreke uzelf voor uw verblijf in het geestelijke rijk
voor te bereiden. En omdat uw ziel helemaal geen uitzicht heeft na de
lichamelijke dood een lichtvol stralend geestelijk kleed aan te trekken,
vreest u de dood - en dat ook met recht. Want u kunt weliswaar niet vergaan,
maar de gebondenheid aan de aarde kan u nog eigen zijn en het ontwaken
na de dood zal dan niet vreugdevol zijn. Maar u zult ontwaken - al is
uw ziel nog zo gebrekkig gevormd. Zij zal het ondervinden dat zij niet
vergaan is en ook niet vergaan kan. En onbewust vrezen de mensen dit lot
die angst hebben voor de dood. |