BD.6737
15 januari 1957
Reddingsmiddelen van de Lichtwezens
In de geestelijke wereld is het doen en laten van de mensen
op de aarde zichtbaar en het vervult de Lichtwezens met verhoogde ijver
hen te helpen, omdat ze ook op de hoogte zijn van het aanstaande einde
en van het lot van datgene wat op aarde faalt. De liefde, door medelijden
opgewekt, zet hen onophoudelijk aan om te helpen, maar de wil van de mensen
weert hen vaak af en tegen de wil van de mensen in mogen ze niet handelen.
Maar omdat ze ook de geestelijke toestand van de mensen zien, zijn ze
ook op de hoogte van doeltreffende middelen en in volledige overeenstemming
met de Wil van God passen ze deze middelen toe die daarin bestaan op aardse
gebeurtenissen in te werken.
Zo kunnen zowel vreugdevolle als ook onaangename gebeurtenissen het inwerken
van die Lichtwezens zijn, die hun beschermelingen willen redden of heenleiden
naar God. Want God Zelf heeft hen bij de mensen als geestelijke leiders
geplaatst en het heil van de ziel van hun beschermelingen ligt hen daarom
buitengewoon aan het hart. Ook zij kennen de zegen van het lijden voor
alle mensen en daarom is het lijden vaak niet te ontgaan, ofschoon de
lichtwezens vervuld zijn van liefde voor de mensen.
Maar een ziel gered te hebben, maakt ieder Lichtwezen gelukkig want dezen
zijn immers op de hoogte van de eindeloos durende toestand van kwelling
van het geestelijke dat opnieuw in de materie wordt gekluisterd. Tegenover
deze toestand van kwelling is ook het grootste leed op aarde gering te
noemen en om die reden passen de helpers het toe, doordat ze aards geluk
verstoren en vaak zo smartelijk ingrijpen. in het leven van een mens dat
een liefdevol motief nauwelijks nog te herkennen valt - maar het is alleen
liefde voor en zorg om de ziel van de mens die zich in het grootste gevaar
bevindt. Want zolang ze nog op aarde vertoeft, wordt ze ook niet door
haar geestelijke vrienden en leiders opgegeven. En omdat de tijd steeds
korter wordt die u, mensen nog overblijft tot het einde, worden ook de
smartelijke ingrepen van de Lichtwezens steeds veelvuldiger, want ze handelen
in opdracht van God, ze zijn voor Hem toch medewerkers die in Zijn Wil
werkzaam zijn.
De mensen verzamelen steeds meer aardse goederen, ze zijn de wereld en
haar vreugden steeds meer toegedaan, en daarom moet voor hen vaak aards
geluk in de grond worden geboord, ze moeten de aftakeling van aardse goederen
meemaken, ze moeten de banaliteit van de vreugden van de wereld leren
inzien. En dat alles is slechts mogelijk wanneer het niet volgens hun
wens verloopt, wanneer ze door slagen van het lot van allerlei aard gehinderd
worden bij het ongeremd genieten van datgene wat ze nastreven. Dan is
het mogelijk dat ze hun gedachten een andere richting geven en dan zou
het aardse verlies een buitengewone geestelijke winst zijn. Dan hebben
de lichtwezens de zege behaald en de zielen geholpen te leven, waarvoor
de zielen hen eeuwig zullen danken.
Het is voor alle lichtwezens duidelijk in wat voor 'n duisternis de mensen
op aarde voortgaan en ze weten ook dat de wereld daar schuld aan is. Daarom
zijn hun inspanningen gericht om steeds maar de gedachten van de mensen
van de wereld af te wenden en zij trachten dit te bereiken door middelen
die hard en liefdeloos lijken maar steeds gebaseerd zijn op de liefde,
omdat ze een zijn met God en daarom ook vervuld zijn met liefde voor alle
nog ongelukkigen op aarde.
Het is nog maar een korte tijd vóór het einde, maar deze
korte tijd zal ook erg zwaar zijn, omdat alle zielen moeten worden aangeraakt
die niet vrijwillig van de wereld afstand doen en zich naar God keren.
En zo moet elke moeilijke belevenis, elke harde slag van het lot worden
aangezien en onderkend als reddingsmiddel dat met goddelijke toestemming
nog bij de mensen moeten worden gebruikt die in gevaar zijn in de afgrond
te zinken. Want iedere ziel heeft uit het hiernamaals haar helper en beschermer,
die echter steeds haar wil in acht moet nemen, daar er anders waarlijk
geen mens verloren ging, maar nog vóór het einde de terugweg
naar God zou vinden.
Amen |