BD.1482
20 juni 1940
Vergeving van zonden - Onfeilbaarheid - Handelingen volgens
een schema
De vermeende daad van de vergeving van zonden is alleen maar
het zinnebeeld van datgene, wat de Heer op aarde heeft geleerd. Het is
helemaal niet nodig aan een vorm te voldoen, want de vergeving van de
zonden is alleen afhankelijk van in hoeverre de mens zich tegenover God
schuldig voelt over zijn zonden en hij Hem dit in innig tweegesprek bekent
en van Hem erbarmen en vergeving van zijn schuld afsmeekt. De vorm is
weer alleen maar een gevaar voor de ziel, want er wordt een handeling
werktuiglijk uitgevoerd, die veel te innerlijk is of zijn moet, om naar
buiten toe herkenbaar gemaakt te mogen worden. Het openlijk bekennen van
de zonden is een daad, die tot oppervlakkigheid kan leiden, doordat de
mens als het ware instemt met een tijdelijk vastgestelde handeling, zonder
innerlijk zo tegenover God te staan, dat het bekennen van zijn zondenschuld
voor hem een behoefte is. Alles, wat u ter wille van uw zieleheil doet,
moet levend zijn. En een dergelijke ceremonie kan gemakkelijk een dode
handeling worden, want niet alle mensen zijn tegelijkertijd zo doordrongen
van God, dat ze zich tegenover Hem bloot geven met hun gehele zwakheid
en zondenschuld. Dit is echter voorwaarde voor de vergeving van de zonden
en alle uiterlijke handelingen zijn slechts het zinnebeeld van datgene,
wat strookt met Gods Wil, maar niet de vervulling van de goddelijke Wil.
Wanneer nu de Geest uit God u wijst op het gevaar, waarin u zichzelf begeeft,
dan moet u zich niet verzetten, maar uw hemelse Vader van harte dankbaar
zijn, dat Hij u terecht wijst. Want u verspilt veel energie aan het nakomen
van uiterlijke vormen, die u zou moeten richten op het innerlijk vooruit
komen. Een innerlijke gedachte, vol van zich gevende liefde, levert u
een oneindig grotere mate van genade op, dan het ijverig naleven van de
geboden van de kerk, die zonder Gods toestemming aan de mensen werden
gegeven. De verdedigers van deze leren verschuilen zich weer achter een
menselijk ontstane leer van de onfeilbaarheid van het hoofd van de kerk
in geestelijke verordeningen.
Alles, wat de mens wordt aangeboden van boven, is zuiverste waarheid.
God maakt echter door Zijn toezendingen van boven alleen Zijn Wil bekend,
maar nooit zal Hij de mensen overreden of hen ertoe willen brengen door
dwangmaatregelen Zijn Wil op te volgen. Want dit is volkomen in strijd
met de uit goddelijke Liefde en Wijsheid voortgekomen wet van de vrijwording
van het wezen door eigen wil. Een van menselijke zijde uitgevaardigd gebod
is een ingreep in goddelijke verordeningen. Nooit ofte nimmer zullen zulke
geboden door God worden goedgekeurd, die de mens gedwongen tot daden aanzetten,
ofschoon de eigen wil officieel als voorwaarde wordt gesteld. Maar de
wil van de mens laat zich niet volgens een schema tot werkzaamheid ontplooien,
want dan is hij niet meer vrij, maar al gebonden door de wil van diegene,
die door zulke geboden de mens bepaalde tijden voorschrijft, waarin de
mens dus wordt gevraagd zijn plicht te vervullen.
Het is een erg grote menselijke dwaling, die het ontspruitende plantje
van het innerlijke verlangen naar God dreigt te verstikken, als niet het
werkzaam zijn in liefde van een mens bijzonder actief wordt en nu de verlichting
van de Geest hem plotseling tot inzicht doet komen van de eigenlijke Wil
van God. Dan pas zal hij zich vrij kunnen maken van een leer, die door
menselijk toedoen al aanmerkelijk afwijkt van de leer, die Christus op
aarde Zelf aan de mensen heeft gegeven. De mens zal meestal trachten zijn
plicht te vervullen en dat is het grote gevaar voor de ziel. Want ze streeft
niet bewust naar volmaaktheid, omdat haar in zekere zin een plan wordt
voorgelegd, waaraan ze zich de uitvoering gelegen laat liggen. En door
de voorbereiding, die van menselijke zijde werd getroffen, verwaarloost
ze de arbeid aan haar eigen ziel en is ze toch van mening, welgevallig
te leven voor God de Heer.
Amen |