BD.1589 Over hen die onvrijwillig voortijdig zijn gestorven - Hiernamaals Het onverdiende noodlot van hen, die tegen hun wil ten offer
moesten vallen aan onrechtvaardig optreden van met haat vervulde volkeren,
zal niet ongewroken blijven, want er moet rechtvaardige vergelding plaatsvinden,
wanneer zielen, door de schuld van mensen vóór de hen toegestane
tijd van genade van de belichaming op aarde, worden omgebracht en dus
niet zo rijp kunnen worden, als bij een lange levensduur mogelijk is.
Het is een onverdiende verkorting van het leven op aarde, die hen weliswaar
bevrijding brengt uit de vorm, maar die hen in een onrijpe toestand het
hiernamaals laat binnengaan. De ziel kan nu alleen maar naar haar toestand
van rijpheid worden bedeeld: ze moet de sferen binnengaan, die overeenkomen
met haar graad van rijpheid. Maar het is duidelijk, dat zo'n beëindiging
van het menselijk leven vanuit een zekere dwangpositie, zijn genoegdoening
moet krijgen, want er kan niets ongewroken blijven, wat onrechtvaardig
is voor God. Want het is niemand toegestaan over het leven van een medemens
te beschikken. Maar van de andere kant moet aan de ziel van de mens de
mogelijkheid worden gegeven, de op aarde onderbroken eigen verlossing
in het hiernamaals voort te kunnen zetten. En daarom wordt juist aan diegenen,
die voortijdig uit het leven zijn heengegaan, een rijk arbeidsveld in
het hiernamaals toegewezen, zodat hun wil alleen goed hoeft te zijn, om
- overeenstemmend met het aardse leven - de toestand van haar
ziel te verbeteren. Wordt de ontwikkelingsgang van de ziel door andermans
schuld onderbroken, dan staan voor het wezen in het hiernamaals de meest
ondenkbare mogelijkheden open, om toch nog de toestand van rijpheid te
kunnen bereiken, wanneer slechts de wil hieraan beantwoordend actief is
en het wezen naar God verlangt. |