BD.2302
14 april 1942
Denken met het hart en met het verstand - Waarheid
Ieder mens meent het bij het rechte eind te hebben, als hij
een opvatting voor waar houdt die hij zich verstandelijk heeft gevormd.
Deze opvatting zal toch niet altijd overeenstemmen met de waarheid. God
gaf weliswaar de mens verstand en vrije wil, maar Hij gaf hem ook een
hart.
Zolang het verstand zonder het hart een geestelijke vraag wil oplossen,
zal dit nauwelijks de waarheid benaderen. Want de waarheid gaat van God
uit en ze kan alleen door de geestvonk in de mens worden opgenomen, maar
niet door het lichaam - dat nog materie is
Denken door middel van het verstand is enkel de functie van het lichaam, het hart
is echter de zetel van alle gevoelens. Het hart draagt ook de goddelijke
liefdevonk in zich - en zodoende de geest, die daar dan een stukje van
God is. Een gedachte die geboren is in het hart, die dus afkomstig is
van de goddelijke geestvonk, zal altijd aanspraak hebben op waarachtigheid,
want de geest draagt alleen de zuivere waarheid over. Of echter de gedachte
in het hart geboren is of alleen een product van het denken door middel van het
verstand, hangt af van het feit of de mens in staat is liefde te geven.
Hoe inniger een mens kan liefhebben, dat wil zeggen: de vereniging met God nastreeft
door in liefde werkzaam te zijn, des te helderder zullen ook de gedachten
uit zijn hart opstijgen en in de mens bewust worden. Want deze gedachten
zijn geestelijke kracht die uit de met God verbonden wezens stroomt -
en dan naar het hart van diegene vloeit die zich evenzo met God verbindt
door het liefdevol bezig zijn.
Daarentegen is het verstandelijk denken enkel de functie van de lichamelijke
organen, dus een gebruiken van de levenskracht die de mens toestroomt
- die ook die mens benutten kan die zonder liefde voort leeft, dat wil zeggen:
wiens kracht tot niet veel liefde gebruikt wordt. Er moet dus een onderscheid
gemaakt worden tussen verstandelijk denken en het denken met het hart.
Dit laatste zal altijd de waarheid te voorschijn brengen, terwijl het
verstandelijk denken niet waar behoeft te zijn, hoewel ook van een goed
ontwikkeld verstandelijk denken gesproken kan worden. Dus: alleen de liefde
is beslissend, dat wil zeggen: maatgevend voor de waarheid.
De mens is over het wezen van de gedachte nog te weinig ingelicht en daarom
wordt hem dit onderscheid niet duidelijk. De in het hart geboren gedachte
heeft met de door het verstand verkregen denkbeelden alleen dat ene gemeen,
dat ook die gedachte naar de hersenen moet worden gestuurd om bij de mens
in het bewustzijn binnen te dringen, en dat brengt de mens ertoe aan te
nemen dat iedere gedachte in de hersenen haar oorsprong heeft - dus met
het verstand verkregen wordt.
Toch zijn de opvattingen van een liefdevol mens, dus een mens wiens leven
een voortdurend werkzaam zijn in liefde is, geheel anders te waarderen
dan het pure verstandelijke denken van een mens die niet erg bereid is
liefde te geven. Het eerste zal dichter bij de waarheid komen, terwijl
het laatste geen enkele garantie biedt voor waarheid en ware kennis.
Want de waarheid behoudt God Zichzelf voor, en Hij deelt ze alleen uit
aan hen die Hem erkennen, Hem begeren - en dit door werken van liefde
bewijzen.
Dus zal ongetwijfeld dat aangenomen kunnen worden als waarheid, wat uit
een liefdevol hart komt. Want zulke gedachten zijn aan een zekere controle
onderworpen door de geestelijke wezens die kennis bezitten, aan wie het
overdragen van gedachten is opgedragen en die er daarom nauwgezet over
waken dat de mens juist denkt. Want door zijn werken in liefde verwerft
de mens zich het recht en de aanspraak op de bijstand van de lichtwezens,
die de mens voor gedachten behoeden die in strijd zijn met de waarheid.
Amen |