BD.2401
8 juli 1942
Omgang met overledenen - Zielen in de nabijheid van de aarde
Er zijn ontelbare zielen in de nabijheid van de aarde wier
staat van rijpheid erg laag is en die daarom nog steeds het verlangen
naar de aarde met zich meedragen, omdat de hogere sferen voor hen nog
ontoegankelijk zijn. Deze zielen zijn er zich nog vaak niet van bewust
dat ze niet meer bij de aarde horen, dat wil zeggen: ze weten nog niet dat zij
het lichamelijk leven op aarde beëindigd hebben en houden zich daarom
nog in hun oude omgeving op en willen zich met de mensen verstaan, zonder
echter door hen gehoord te worden.
En het duurt soms lang eer het hun duidelijk is dat ze met de aarde niets
meer te maken hebben. Het duurt lang tot ze zich in hun nieuwe omgeving
schikken en tenslotte wegblijven van de aarde. Dit stadium van onwetendheid
is niet erg bevredigend voor de ziel, want nergens vindt ze begrip en
hulp, omdat ze zich tot de mensen wendt, die haar niet kunnen helpen op
de wijze zoals zij hulp wenst.
Pas het inzicht dat ze voor altijd van de aarde is heengegaan en dat de
mensen haar alleen door gebed bij kunnen staan, brengt de ziel ertoe om
over haar tegenwoordige toestand na te denken en de mogelijkheid in overweging
te nemen, dat ze deze toestand zelf kan veranderen, en nu slaat ze acht
op elke gelegenheid die haar een andere graad van rijpheid oplevert. Nu
pas keert ze in zichzelf en tracht voor zichzelf rekenschap af te leggen
en wordt dan vaak door bitter berouw aangegrepen dat ze het aardse leven
niet zo benut heeft als God het wilde.
En in deze stemming van berouw wordt ze vaak door de lichtwezens opgezocht,
die echter in een omhulling tot haar komen, opdat ze niet als lichtwezens
herkend worden. Dezen maken haar opmerkzaam op het leed van andere zielen
en proberen in haar medeleven met hen op te wekken. En nu is haar innerlijke
gezindheid bepalend of de lichtwezens haar kracht geven of haar weer aan
haar lot overlaten, tot het medelijden voor de noodlijdende zielen het
eigen leed overheerst en de lichtwezens nu opnieuw op haar inwerken, en
dan met succes.
De aarde is door ontelbare wezens omgeven, die als het ware nog op aarde leven,
maar zonder herkend te worden door de mensen, die voor niet bestaand houden
wat ze niet kunnen zien en vastpakken en die daarom ook niet willen geloven
dat de zielen van overledenen de achtergebleven mensen omgeven. Want alleen
het geestelijke oog zou hen kunnen zien, het lichamelijke oog echter is
blind, bijgevolg kunnen de zielen op geen enkele manier de aandacht trekken,
omdat de mensen daar niet op reageren, want ze zijn afhankelijk van de
goddelijke natuurwetten waarin God Zelf hen heeft geplaatst.
Ze zien en horen slechts met lichamelijke organen, de zielen van de overledenen
moeten echter met geestelijke ogen worden waargenomen. En dus is er tussen
de zielen van de overledenen en de mensen op aarde geen verbinding, zuiver
natuurlijk gezien, er bestaat alleen maar een zuiver geestelijke verbinding,
die pas dan kan worden aangeknoopt, wanneer de mens op aarde de wil heeft,
met de zielen in goede verstandhouding te leven, dat wil zeggen: wanneer de mens
op aarde aan een voortleven van de ziel gelooft en zich, als gevolg van
dit geloof, met deze zielen tracht te verstaan.
Dit bewuste opnemen van de verbinding met de geestelijke wereld is voorwaarde
dat er tussen de mensen en de zielen in het hiernamaals een contact tot
stand kan worden gebracht, waardoor een wederzijdse toenadering mogelijk
is. En nu komt het er op aan, wie meer inzicht heeft, de mens of de ziel
in het hiernamaals. Want de wetende partij moet de onwetende partij onderrichten.
Is de ziel in het hiernamaals in een zeer onrijp stadium, dan kan de mens
haar zijn weten overbrengen, doordat hij met de ziel spreekt, wat de zielen
heel goed begrijpen en vernemen kunnen. Maar is de mens onwetend, dan
wordt hij door wetende geestelijke wezens onderricht, zodra zijn wil deze
onderrichting verlangt.
En dus kunnen de mensen op aarde zegenrijk inwerken op de zielen die in
de nabijheid van de aarde zijn, want dezen hebben meestal een onvoldoende
rijpheid, ze weten weinig en hebben daarom weinig kracht. Zij kunnen door
overdracht van weten in liefdevolle gedachtenis in zoverre geholpen worden,
dat de zielen zich nu makkelijker van de aarde losmaken en hun aandacht
nu aan de eveneens lijdende zielen in het hiernamaals doen toekomen.
Daardoor kan de liefde in hen worden gewekt en zij nu in verdergaand weten
worden binnengeleid door de lichtwezens, die de verandering van instelling
van de zielen herkennen en nu van hun kant uit de zielen bijstaan.
Amen |