BD.3318
4 en 5 november 1944
De geweldige Stem van God - Einde van de strijd
Luid en indringend zal de Stem van God weerklinken en het
lot der volkeren zal worden beslist, want God Zelf zal het vonnis uitspreken
door de krachten der natuur. En tegen Zijn rechtspraak zal niemand zich
kunnen verzetten, want het zal rechtvaardig zijn en de mensen treffen,
die zich schuldig hebben gemaakt aan grote ellende en hun onrecht niet
willen inzien.
Het zal een buitengewoon treurig gebeuren zijn en talloze mensen zullen
om het leven komen. Het gebeuren is echter niet tegen te houden, omdat
de mensen door niets meer kunnen worden geschokt, wat menselijke wil bewerkstelligt.
En daarom moeten de mensen worden opgeschrikt door een gebeuren, dat door
menselijke wil niet kan worden afgewend of beëindigd en dat een grote
ontzetting teweegbrengt, omdat ieder de dood voor ogen heeft en zich moet
voorbereiden op het tijdelijke einde. En dit gebeuren komst steeds dichterbij.
Dag na dag gaat voorbij zonder dat de mensheid verandert en de Lankmoedigheid
Gods talmt nog steeds om de mensen nog de gelegenheid te geven om te keren
voordat Zijn Stem weerklinkt.
Maar nu loopt ook het wereldgebeuren ten einde, omdat het natuurgebeuren
op til is, omdat het binnenste der aarde in oproer raakt en alleen op
het moment wacht, waarop God de krachten der natuur de vrijheid verleent,
dat ze zich uit hun boeien kunnen bevrijden. Want de mensen kunnen er
geen punt achter zetten, dus grijpt God in en roept Hij het een halt toe.
Het slechte wordt beëindigd, maar iets wat nog veel erger is zal
er het gevolg van zijn, want de mensen raken in vreselijke nood en staan
in algehele radeloosheid tegenover de ontketende krachten der natuur.
Ze kunnen noch vluchten, noch het woeden ervan tegenhouden of verminderen.
Ze zijn er aan overgeleverd en hebben maar één Redder, aan
Wie ze zich kunnen toevertrouwen in hun nood, Die ze aan kunnen roepen
om hulp en Die de macht heeft hen te helpen.
Maar slechts weinigen erkennen en aanvaarden Hem. Weinigen voelen zich
schuldig en wachten onderdanig op Zijn rechtspraak in het besef van hun
zondigheid. En over deze weinigen zal God Zich ook ontfermen in de uren
der vernietiging, die de goddelijke Wil laat gebeuren, omdat anders de
geestelijke nood niet kan worden opgeheven en de aardse nood voortdurend
door menselijke wil wordt opgevoerd. En omdat de mensen er geen einde
aan maken, bepaalt God het einde van een strijd, die de hele wereld in
beroering brengt. En er zal een schreeuw van ontzetting over de aarde
schallen, die de mensen doet verstijven. Want de grootte van de rampspoed
zal alle de oren doen spitsen en laten sidderen voor een herhaling.
En God doelt erop, dat de gehele mensheid belangstelling toont, dat ze
zal luisteren naar Zijn Rechtspraak, dat ze de schuldigen onderkent en
Gods Rechtvaardigheid. Want nog zal ieder die strijdt menen in zijn recht
te staan. Nog wordt alleen de macht gewaardeerd en niet het recht en Gods
Zegen kan niet rusten op handelingen, die te verafschuwen zijn, omdat
ze ingaan tegen het goddelijke gebod der liefde.
En God zal de mensen straffen met hetzelfde wat zij doen. Alleen is Zijn
werk van vernietiging nog geweldiger, opdat ze Hem daaraan herkennen.
Want ook het geestelijke komt in opstand, dat - nog onvrij - uit de goddelijke
ordening wordt weggerukt en deze toestand als kwellend ervaart. Want al
zou het ook door menselijke wil vrij worden, het kan zich niet verheugen
in zijn vrijheid, omdat het niet de vrijheid van de volmaaktheid is. Maar
het geestelijke is de mogelijkheid afgenomen om werkzaam te zijn, waarover
het in opstand komt. En het zal bezig zijn, waar het gelegenheid wordt
geboden. Maar in het bijzonder zal het zich verbinden met het nog gekluisterde
geestelijke en trachten dit te bewegen zijn omhulling eveneens open te
breken, waarbij het dit behulpzaam is. Het probeert daardoor de mensen
te dwingen weer opbouwend werkzaam te zijn, opdat het weer de mogelijkheid
gegeven is, nieuwe scheppingen te betrekken, om de ontwikkelingsgang voort
te kunnen zetten.
En God hindert het geestelijke, dat door menselijke wil is vrij geworden,
niet, zoals Hij ook Zijn toestemming geeft als de materie in het binnenste
der aarde zich roert, als het geestelijke streeft naar het licht en probeert
zijn omhulling open te breken. God trekt voor korte tijd Zijn Wil terug
en hij laat de wil van het geestelijke de vrije loop, wat echter - daar
dit nog helemaal onrijp is - een werk van verwoesting van kolossale omvang
betekent. En zo plaatst zich tegenover de menselijke wil een wil, die
de eerste overtroeft, die schijnbaar elke goddelijke Liefde en Wijsheid
lijkt te ontberen en die de algehele toestemming van God krijgt.
Maar de mensheid buigt zich niet voor God. Ze stopt niet met haar vernietigingsstrijd.
Ze is door demonen overmand en laat zich door hen aandrijven. Ze wordt
steeds meer een prooi van de kwade macht en toont dit in haar werken en
maatregelen. En om deze achteruitgang een halt toe te roepen, komt Gods
Wil en Almacht openlijk in actie. Hij doet de aarde schudden en met haar
de mensheid, opdat ze tot bezinning mag komen en veranderen. Want het
is de laatste tijd, die nog benut kan worden voor de ziel. En daarom zal
God Zijn Stem laten klinken, krachtig en geweldig. En Hij roept de mensen
toe: Houd op met uw woeden, dat uw ziel in het verderf sleurt. Verander
uzelf eer het te laat is en denk aan Diegene, Die regeert over hemel en
aarde, Die uw Schepper en Behoeder is en Wiens Liefde u met voeten treedt.
Denk na over uw einde, want het is zeer nabij.
Amen |