BD.5024
20 december 1950
Wie zijn leven liefheeft, die zal het verliezen
De wil om te leven betekent een zekere overwinning op de
dood. Wel kunt u de aardse lichamelijke dood niet gebieden, maar ook dan
nog kan de lichamelijke dood de overgang zijn tot het leven - als bovendien
de wil in de mens sterk werd zodat hij het eeuwige leven verwerft. En
deze levenswil wordt door Mij goed geheten ofschoon Ik de woorden sprak:
"Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen en wie het weggeeft,
zal het verkrijgen!"
Wie er alleen aan denkt hoe hij voor zijn lichamelijk leven kan zorgen,
die zal heel spoedig ondervinden dat hij zelf volledig machteloos is en
van de aarde wordt weggenomen zonder er zich tegen te kunnen verzetten.
Deze levenswil is dus niet bedoeld om over de dood te zegevieren.
De mens moet naar het ware leven van de ziel verlangen en voor dit leven
moet zijn wil zich met al zijn kracht inzetten. Dan is er voor hem geen
dood meer in eeuwigheid, dan zal hij leven in licht en kracht en ononderbroken
werkzaam kunnen zijn tot eigen geluk. Dan heeft hij waarlijk de dood overwonnen
en het uittreden van de ziel uit haar lichaam is een ontwaken tot een
nieuw leven, niet bezwaard door het lichamelijke omhulsel, vrij van iedere
materie en toch in onvermoede volheid van kracht.
Dit leven moeten de mensen op de aarde lief krijgen, en alleen daar naar
streven het eenmaal te bezitten. Dan verlangen zij sterk naar de dood,
dan willen zij het aardse leven opgeven ter wille van het ware leven in
de eeuwigheid. Maar de mensen hangen nog veel meer aan hun lichamelijk
leven. Zij vrezen het te verliezen, zij hebben hun aardse leven lief,
daarom verliezen zij het en hun lot is de dood.
En weer is niet de dood van het lichaam bedoeld maar de dood van de geest,
waarin de ziel onherroepelijk wegzakt die het leven op de aarde liefheeft.
En deze dood is erger dan de mens het zich kan voorstellen, want hij heeft
zichzelf verloren, hij is het aardse leven kwijt geraakt en zijn ziel
is zonder licht en kracht, geheel machteloos en in diepste duisternis.
De geestelijke dood is voor de ziel een onbeschrijflijke kwelling, omdat
zij zichzelf bewust is, dus niet uitgewist op het moment van de dood,
maar verder vegeteert in een toestand die voor haar zeer kwellend is.
Het verlangen om gelukkig bezig te zijn zal altijd alleen een levend wezen
kunnen vervullen, omdat daar kracht toe behoort die alleen een levend
wezen in zich heeft terwijl een wezen zonder kracht dood is. Wat
echter op aarde door middel van aan de mens toestromende levenskracht
tot stand wordt gebracht, kan uit zuiver wereldse activiteit bestaan,
die wel aardse stoffelijke goederen vermeerdert maar voor het geestelijke
rijk zonder waarde is of ook in geestelijke werkzaamheden die onvergankelijke
schatten opleveren, en zodoende ook een leven in de eeuwigheid verzekeren.
En daarom moet de wil van de mens ernstig op het eeuwige leven gericht
zijn, opdat hij dan de levenskracht gebruikt voor het winnen van de geestelijke
kracht. Dan zal hij zegevieren over de dood, want dan is voor hem een
eeuwig leven zeker en hij zal de dood niet smaken in eeuwigheid.
Amen |