BD.6286
16 juni 1955
Strijd tegen begeerten en hartstochten
Dood al uw begeerten en u zult rijp worden in de kortst mogelijke
tijd. Als u de wil hebt volmaakt te worden, zult u alles moeten overwinnen
wat u nog naar beneden, de diepte in, trekt. En al deze begeerten en hartstochten
kleven u nog aan uit de periode van uw ontwikkeling vóór
u mens was en die u daarom nog veel last op aarde bezorgen, omdat door
die aandriften en begeerten Mijn tegenstander op u inwerkt, die daardoor
de terugkeer naar Mij verhinderen wil. Deze driften en begeerten zijn
echter een belemmering voor de vereniging met Mij, omdat het niet-goddelijke
eigenschappen zijn, die een volmaakt wezen niet hebben kan en die daarom
eerst overwonnen moeten worden, voordat een vereniging met Mij kan plaatsvinden.
De mens moet nu strijden tegen elk verlangen dat de materie betreft, want
steeds is daar een begeerte mee verbonden iets te bezitten wat hoort bij
het rijk van Mijn tegenstander, wat dus dient om de zinnen te bevredigen
- het doet er niet toe wat het ook mag zijn - zodra de lichamelijke zinnen
van de mens zich eraan verlustigen, zijn het begeerten die hun vervulling
op aardse wijze vinden. Alles hoort ertoe wat de mens lichamelijk welbehagen
verschaft als het door de mens met alle kracht zelf wordt nagestreeft
en er daarom voor geestelijk streven de reden ontbreekt: het besef van
de vergankelijkheid van al het aardse.
Maar de mensen worden door mij ook aards bedacht en dat ook rijkelijk,
zodra Ik hun geestelijk streven zie, zodra hun liefde Mij geldt en het
nader komen tot Mij hun voornaamste doel is. Dan schenkt Mijn Liefde hun
rijkelijk en ook hun aardse leven zal gezegend zijn en hun alles bieden,
omdat het hen niet meer schaadt, omdat het hun zinnen niet kluistert.
Zodra echter de begeerte naar aards genot, bezit en vermaak nog sterk
is in de mens moet hij daar strijd tegen voeren, want deze begeerten zijn
de wapens van Mijn tegenstander, die hem dikwijls helpen de overwinning
te behalen. Nochtans zal de mens niet ongeschikt worden voor het leven
op deze aarde, veeleer zullen zijn krachten groeien, maar hij zal ze anders
gebruiken - hij zal geestelijk willen werken en alleen daarin zijn bevrediging
vinden - echter dadelijk verzwakken door zijn blik weer naar de wereld
te keren, wanneer hij daar iets ziet wat hij graag zou willen bezitten.
Daarom: "Het hemelrijk behoeft geweld en alleen hij die geweld gebruikt,
trekt het aan zich". De aarde is het rijk van de gevallen geesten,
ze is het rijk van Mijn tegenstander. Wie daar ernstig over nadenkt zal
ook weten, dat al het begerenswaardige van de materiële wereld altijd
alleen maar het voldoen van de tol aan hem vereist en dat, wie deze tol
betaalt ook hem zal toebehoren. Hij zal ook weten dat er geen compromissen
kunnen bestaan tussen Mij en hem, dat Ik u geheel en al opeis en dat de
mens bezwaarlijk met Mij in contact zal komen die nog met een oog naar
de wereld van Mijn tegenstander lonkt.
U mag u niet gevangen laten nemen door de wereld, u moet uzelf controleren
welke dingen u nog begerenswaardig voorkomen en nu moet u de begeerte
ernaar serieus onderdrukken, u mag er niet aan toegeven - maar u mag gerust
genieten van wat Ik Zelf u schenk. U mag u verheugen over datgene wat
u ontvangt zonder het begerig te hebben nagestreefd, u mag u verheugen
over datgene wat Mijn Liefde u geeft, omdat u van Mij bent - omdat u uw
levensdoel hebt ingezien en Mij nu bereidwillig dient.
Maar stel u zich ermee tevreden en onderdruk elke begerigheid die (in
u) opduikt en zie daarin altijd slechts een val die Mijn tegenstander
voor u wil opzetten om u voor zich terug te winnen. Zonder innerlijke
strijd zult u geen overwinnaar over hem worden. Is uw streven echter op
Mij gericht, dan hoeft u niet meer te strijden, want dan lokt de wereld
u niet meer, dan is uw verlangen op de hemel gericht, dan heeft de materie
de heerschappij over u verloren dan leert u haar versmaden, ze moet u
dienen omdat u de baas over haar bent geworden.
Amen |