BD.7067
15 - 17 maart 1958
De scheppingsdaad van de geestelijke wezens
Het is Mijn Wil, dat het licht in u wordt, waar het in u nog
donker is. De mensen, die niet vragen, kunnen geen antwoord krijgen, maar
die zouden willen weten en zich tot Mij Zelf wenden, hen zal Ik ook antwoord
doen toekomen, opdat ze Mij in Mijn Liefde en Wijsheid leren herkennen
en Mij Zelf hun liefde schenken.
De scheppingsdaad van de geestelijke wezens was een geestelijk gebeuren,
dat u mensen pas dan begrijpelijk zal zijn, wanneer u zelf in het rijk
van het licht zult zijn binnengegaan. Zolang u op aarde bent, kan het
u alleen in grote lijnen worden getoond, in overeenstemming met uw begripsvermogen.
Toch zullen deze niet van de waarheid afwijken, maar laten ze zowel de
diepere redenen alsook de oneindig vele gebeurtenissen er tussen door
ontbreken, die er ook niet toe zouden bijdragen u opheldering te verschaffen.
Maar hiervan kunt u zeker zijn, dat Ik u, die alleen begeert in de waarheid
te worden onderwezen, niet in een verward denken terecht laat komen.
Mij hield bij de schepping van het eerste wezen alleen de gedachte bezig,
Me een vat te scheppen, dat de voortdurend uitstromende Kracht van Mijn
Liefde zou opnemen, omdat Mijn onbegrensde Liefde Zich wilde wegschenken
en steeds maar gelukkig maken. Maar de Kracht van Mijn Liefde bracht onophoudelijk
geestelijke scheppingen van veelvuldige aard voort. En Ik wilde daarom
ook iets laten ontstaan, wat met Mij Zelf overeenstemde, dus een evenbeeld
van Mij. En wat Ik wilde, dat gebeurde. Een wezen in hoogste volmaaktheid
ontstond naast Mij, aan hetwelk Ik Zelf Mijn vreugde had, dat onuitsprekelijk
mooi was, dat een afbeelding van Mij Zelf was en dat nu door de Kracht
van Mijn Liefde werd doorstraald, zodat het eveneens tot onbegrensde scheppende
bezigheid in staat was. Zoals Mij nu de Krachtbron van Mijn Liefde ertoe
had gebracht, voor Zich een opnamevat te vormen, in hetwelk hij zich kon
uitstorten, zo ook ontstond nu in dit wezen de wil en het verlangen, de
hem onafgebroken toekomende Krachtstroom van Mijn Liefde te gebruiken
en eveneens wezens uit zich te laten voortkomen.
Het was dus dezelfde gebeurtenis, die zich nu herhaalde. Want Ik wilde
dit eerstgeschapen wezen laten delen in de onvoorstelbare gelukzaligheid,
gelijksoortige wezens het leven te geven, want als "evenbeeld"
van Mij Zelf was het ook met dezelfde gevoelens bezield. Het stroomde
over van liefde en de Kracht, die het voortdurend van Mij betrok, liet
het wezen ook niet werkeloos zijn. Ze had een uitwerking in juist dat
gebeuren van het scheppen van ontelbare wezens. Ook de nu geschapen wezens
konden niet anders zijn, dan het eerste door Mij Zelf geschapen wezen
was. Het waren hoogst volmaakte, oppermachtige geesten, stralend van het
licht, die allen overeenkwamen met het evenbeeld, dat Ik Zelf buiten Me
had geplaatst.
Door het toestromen van de Kracht uit Mij, die de handeling van het scheppen
van deze wezens eerst mogelijk maakte, was Ik Zelf dus ook hun "Schepper",
ofschoon dan de wil van het eerstgeschapen wezen deze Kracht van Mij gebruikte.
Alle wezens kwamen dus uit Mij en Mijn eerste evenbeeld voort. En alle
wezens bezaten dezelfde scheppende macht. Maar in alle oergeschapen wezens
was ook Mijn Wil werkzaam. De grote menigte van oergeschapen wezens was
in vurigste liefde voor Mij ontbrand, omdat Mijn vuur van Liefde hun oerelement
was, omdat ze waren voortgebracht door de zuiverste Liefde en bijgevolg
ook al het geschapene positief tegenover Mij stond.
Eindeloze tijden gingen voorbij in de meest gelukzalige harmonie en voortdurende
uitwisseling van liefde. En deze toestand zou niet hebben hoeven te veranderen.
Maar toen kreeg het gebeuren van het scheppen een andere vorm, wat alleen
maar geestelijk te begrijpen is. En dit werd in werking gezet door het
verlangen van Mijn eerstgeschapen wezen, van Mijn lichtdrager, om Mij
zelf te zien. De liefde van het wezen ging nog onveranderd naar Mij uit
en daarom begeerde het Mij te aanschouwen, ofschoon het wezen het inzicht
bezat, dat Ik als "Kracht- en Lichtcentrum" voor hem, die
Ik geschapen had, niet zichtbaar kon zijn; dat hij zou zijn vergaan bij
de aanblik van de volheid van Mijn Licht, Dat het geschapene - als lichtvonk
van Mij Zelf - zou hebben verteerd en daarom dus een schouwen niet mogelijk
was.
En omdat het Me niet kon zien, flitste de gedachte door hem heen, zich
onafhankelijk van Mij te maken en als het ware zich als de schepper zelf
tegenover het leger van de oergeschapen geesten neer te zetten. Een gedachte,
die in hem ontstond als gevolg van het verlangen Mij te aanschouwen, tegen
beter weten in. Alle wezens bezaten ook, als wezenlijk kenmerk van de
volmaaktheid, de vrije wil, die echter steeds in overeenstemming was met
Mijn Wil. En deze vrije wil liet ook die verwarring als gedachte toe.
Dus van Mij uit werd de lichtdrager, Lucifer, niet gehinderd zijn vrije
wil verkeerd te richten. Maar ook het scheppingsgebeuren liep nu vast.
Dat wil zeggen, zodra zijn wil niet meer overeenstemde met de Mijne, sloot
hij zich als het ware af voor de Krachtstroom van Mijn Liefde, maar steeds
slechts voorbijgaand, want nog was zijn weerstand zo gering, dat de liefde
toch doorbrak en hij zich geheel en al weer aan Mij overgaf, wat nu ook
onverminderde toevoer van Kracht betekende en dus ook onverminderde scheppende
activiteit.
Maar de verkeerde gedachten kwamen steeds weer in hem boven, omdat hij
ze niet aan Mij Zelf voorlegde en Ik ze hem zou hebben kunnen weerleggen.
Want hij schoof Mij af en toe terzijde en merkte niet, dat hij zichzelf
verzwakte in zijn kracht. Want zodra hij de band met Mij losser maakt
door verkeerd gerichte gedachten, werd ook het toestromen van de kracht
van Liefde geringer, wat echter niet tot hem doordrong bij het zien van
de ontelbare geestenschaar, die hij al in het leven had geroepen door
zijn wil met gebruikmaking van Mijn Kracht. Steeds weer moet naar voren
worden gebracht, dat eerst Mijn Kracht hem het scheppen van de wezens
mogelijk maakte en dat zijn liefde voor Mij hem pas de kracht opleverde,
waaruit begrijpelijk wordt, dat een afnemen van zijn liefde ook de toevoer
van Kracht verminderde.
En op zijn beurt was ieder geschapen wezen ook een bewijs van de band
van Lucifer met Mij, dus kon er geen wezen meer ontstaan, als Lucifer
zich bewust van Mij had gescheiden, om welke reden alle geschapen wezens
ook Mijn aandeel zijn, want ze zijn Liefdekracht uit Mij. En toch was
een groot deel van alle geschapen wezens van Mij afgevallen. En dat rechtvaardigt
de vraag, of de wezens verschillend van aard waren in hun oersubstantie.
Ik plaatste een onvergelijkelijk wezen zelfstandig buiten Mij. En dit
wezen was Mijn evenbeeld. Dus bijgevolg moesten de nu door dit wezen in
het leven geroepen geestelijke wezens weer geheel met Mij en Mijn evenbeeld
overeen komen. Het waren dezelfde volmaakte, in het hoogste licht stralende
schepselen, want er kon uit onze beider Liefde en Wil, die geheel gelijk
waren gericht, alleen iets voortkomen, dat hoogst volmaakt was. Wezens,
die op geen enkele manier onderdoen voor de eerst geschapen lichtdrager.
Ze waren dus eveneens buitengewoon machtig en gloeiden in vurige liefde
voor Mij, ofschoon ze niet in staat waren Mij te aanschouwen. Maar ze
herkenden Mij, want Ik openbaarde Me ook aan hen door het Woord.
Er was een eindeloze schare van die geesten, die in hoogste gelukzaligheid
Mij prezen en lof toezongen, die in eerbied bereid waren Mij te dienen
en die steeds alleen maar in Mijn Wil werkzaam waren, dus evenbeelden
van Mij Zelf waren. En deze onbeschrijflijk gelukzalige geestenschaar
zou de liefde van de lichtdrager steeds meer hebben moeten vergroten.
Doch nu begonnen in hem verschillende gevoelens tegen elkaar te strijden.
Hij zag de in heerlijkheid stralende wezens en verlangde nu ook Mij Zelf
te aanschouwen. Hij geloofde van zichzelf, als voor de wezens zichtbaar,
Mij de baas te zijn en hij wilde Mij niet meer als Degene erkennen, uit
Wie alles voortkwam, ofschoon hij wist, dat ook hij zelf van Mij was uitgegaan.
In het bewustzijn van zijn hem doorstromende kracht, begon hij het losmaken
van de Krachtbron te voltrekken. Een gebeuren, dat zich over eeuwigheden
uitstrekte, omdat hem steeds weer het verlangen naar het gelukkig zijn
naar Mij drong en hij daarom ook steeds weer Kracht betrok voor het scheppen
van steeds weer nieuwe wezens. En zo waren ook deze wezens in hun oersubstantie
hetzelfde, namelijk door Mij uitgestraalde Liefdekracht. Maar het zich
tijdelijk van Mij afwenden had ook op het scheppingsgebeuren een bepaalde
invloed, doordat de wil en de liefde van die wezens zich veel meer op
hun verwekker richtten, dan op Mij. Maar Ik trachtte noch deze wezens,
noch de lichtdrager ertoe te brengen te veranderen. Maar ze waren in dezelfde
mate vol van licht. Ze beseften eveneens, dat Ik hun Schepper was en konden
daarom ook in vrijheid van hun wil juist beslissen, toen deze grote beslissing
van hen werd gevraagd.
Mijn eerstgeschapen wezen had verbinding met alle door hem verwekte wezens,
zoals ook Ik met alle wezens onafscheidelijk verbonden was, omdat de Kracht
van Mijn Liefde hen doorstroomde, daar ze anders niet zouden blijven bestaan.
Mijn tegenstander probeerde de band met het door hem geschapene ook dan
nog te bewaren, toen het al een van Mij afgekeerde wil had. Dat wil zeggen
ook de eerste geestelijke wezens werden door hem aangezet, zich van Mij
af te keren en er bezweken bijgevolg ook enkele van hen aan zijn verzoeking.
Lucifer trok ook dezen mee in de diepte, wier inzicht waarlijk ook het
schandelijke van zijn plannen zou hebben moeten verafschuwen.
En de zonde van dezen was nog veel groter. Daarom is de weg van de terugkeer
ook veel zwaarder, terwijl echter het merendeel van de eerstgeschapen
wezens bij Mij bleef, toen de aanhang van Mijn huidige tegenstander zich
van Mij losmaakte. De verborgen weerstand, die Lucifer tegen Mij begon
in te brengen, had tot gevolg, dat er een eindeloos leger van geschapen
geesten deels voor, deels tegen Mij besliste, toen deze aan de wilsproef
werd onderworpen. Want de weerstand verstoorde de tot nu toe gesloten
eenheid. Dezelfde wil, dezelfde liefde beheersten Mijn vroegere evenbeeld
niet meer. Het viel uiteen en deze verdeeldheid bemerkten nu ook de uit
onze liefde voortgekomen wezens, die nu geaard waren zoals hun verwekker,
ondanks dat Mijn Kracht aan hun verwekking deel had.
Daar echter bij de eerst geschapen geestelijke wezens die weerstand nog
niet aanwezig was; daar liefde en wil van de lichtdrager geheel in Mij
opgingen, konden ook uit deze liefde alleen wezens voortkomen, die geheel
met ons overeenstemden, die in stralende volheid van licht en onbegrensde
kracht getrouwe afbeeldingen waren van Mij Zelf, evenals ook evenbeelden
van het wezen, dat Ik in Mijn Liefde buiten Mij had geplaatst, en die
ook, tot op enkele uitzonderingen na, bij Mij bleven. En in deze laatsten
vond hetzelfde gebeuren plaats als in Lucifer: dat de vrije wil zich verkeerd
richtte, dat ze begeerden hun God en Schepper te zien en uit Mijn noodzakelijke
onzichtbaarheid verkeerde gevolgtrekkingen maakten, doordat ze het voor
hen "zichtbare" erkenden als hun "god", die zelf
nu ook aanmatigend werd en ontelbare wezens tot zich trok, die allen de
band met Mij dus opzettelijk verbraken en daardoor in de diepte stortten.
Alle geschapen wezens straalden eens in licht en kracht, terwijl zonder
de Krachtstroom van Mijn Liefde niets zou hebben kunnen ontstaan. De verminderde
lichtstraling begon pas met het minder worden van Lucifers liefde voor
Mij, wat echter niet betekent, dat het die wezens zou hebben ontbroken
aan het licht van het inzicht. Want op het moment van de schepping doorstroomde
ook de Kracht van Mijn Liefde weer de verwekker van al het wezenlijke.
Maar juist die momenten werden steeds zeldzamer, tot hij opzettelijk tegen
Mij in opstand kwam en nu geen enkele toevoer van kracht meer kon ontvangen,
omdat hij die zelf afwees in het geloof, net zo vol van kracht te zijn
als Ik.
En nu werd ook zijn geestestoestand duister. Hij, die eens Mijn evenbeeld
was, is tot Mijn tegenpool geworden. Hij is in zijn wezen geheel tegenovergesteld.
Hij is in uiterste diepte gezonken en met hem zijn aanhang, waarin hij
zijn vermeende macht en sterkte ziet. Het hoogste wezen, uit Mijn Liefde
voortgekomen, is het diepst gezonken, omdat het zijn vrije wil, het kenmerk
van goddelijke herkomst, heeft misbruikt. En ieder wezen stond het vrij,
deze wil te richten op Mij of op hem. Ieder wezen kon de wilsproef doorstaan,
omdat ieder wezen in het licht van het inzicht stond en ook over kracht
beschikte om het aandringen van zijn verwekker weerstand te bieden.
Maar ook ieder gevallen wezen zal Mijn Liefde niet verliezen. Want Mijn
Liefde liet het ontstaan en Mijn Liefde laat het ook eeuwig niet meer
vergaan. Maar zolang het zijn weerstand niet opgeeft, zal het niet in
staat zijn Mijn Liefde te bemerken en daarom ongelukkig zijn. Maar ook
zijn weerstand zal verzwakken en het wezen zal eenmaal weer Mijn Liefde
zoeken en de weg van terugkeer naar Mij bewust gaan. En dan zal het ook
Mijn onmetelijke Liefde inzien. Het zal zijn God en Schepper herkennen
in Jezus Christus, in Wie Ik Zelf voor alle wezens de zichtbare God werd,
Die ze begeerden te zien en Die hen de weg heeft bereid terug in het Vaderhuis.
Amen |