Banner Ga naar biografie Ga naar voorwoord Ga naar themaboekjes Ga naar links Ga naar register Ga naar Duitse Teksten Ga naar downloads

BD.7149
20 juni 1958

Verantwoordelijkheid van de ouders en de kinderen

In totale onwetendheid begint u uw aardse leven als mens. De ziel is nog door geestelijke duisternis omgeven, daar ze eerst in de toestand van het ik-bewustzijn moet komen, voordat ze er nu ook aan kan beginnen de dichte omhullingen om zich heen op te lossen. Ze kan dit ook al doen zonder een bijzonder weten te hebben ontvangen, want ze kon al in de vroegste jeugd de goede gewaarwordingen en gevoelens in zich op de voorgrond laten komen, ofschoon ze niet volgens een bepaald inzicht handelt. Maar de mens moet zich steeds van zichzelf bewust zijn, daar anders zijn denken en handelen niet beoordeeld zou kunnen worden. Zo'n kind brengt al vroegtijdig de liefdevonk in zich tot ontplooiing. Het is goed, omdat het van binnen uit daartoe wordt aangezet, terwijl daarentegen een ander kind in dezelfde ik-bewustzijnstoestand aan de slechte aandriften in zich toegeeft, ofschoon het 't zwakke gevoel van verkeerd handelen in zich bespeurt. Van inzicht kan in beide gevallen nog geen sprake zijn, maar de liefdevonk is in ieder mens gelegd en zo is de aanvankelijke handelwijze bij kinderen alleen daarom verschillend, omdat hun zielen verschillend op het innerlijke aansporen reageren, maar ieder kind zich toch bewust is of het goed of slecht handelt, zodra het eerst eens zelf het stadium van het ik-bewustzijn heeft bereikt.

En nu wordt bijgevolg het kind langzaam ook een weten overgebracht, het leert ordeningswetten kennen, dat wil zeggen het wordt hem steeds begrijpelijker en hij zal het ook bij zichzelf merken, wat een goede of een slechte uitwerking heeft, het begrip van goed en kwaad wordt hem bijgebracht en wederom zullen nu de opgroeiende mensen verschillend reageren al naargelang ze zelf de vlam van de liefde in zich ontsteken en zich van binnenuit laten beïnvloeden. En in overeenkomst hiermee groeit ook het inzicht, óf de aanvankelijke blindheid van de ziel blijft bestaan, want het van buitenaf aan de mens toegekomen weten hoeft nog lang geen inzicht te zijn, maar wordt dat pas wanneer de liefde in de mens het weten tot leven brengt. Weliswaar kan het weten het verstand geheel in beslag nemen, maar het blijft dan steeds slechts een schijnlicht, dat de kracht niet heeft in de ziel van de mens helderheid te verspreiden en de ziel daarom verder door omhullingen omgeven is. Ter verantwoording geroepen wordt echter de mens vanaf het tijdstip, waarop hij zich van zichzelf bewust is, waarop hij in zich de stem van het geweten kan vernemen, waarop dus het gevoel voor goed of kwaad in hem is ontwaakt, wat bij het ene kind vroeger, bij het andere later kan zijn, maar de voorwaarde is dan ook, dat het zich moet verantwoorden voor zijn handelen. Maar steeds wordt met de zwakheid van zo'n ziel rekening gehouden, die vroegtijdig het aardse leven weer af moet geven. Steeds wordt de graad van rijpheid in aanmerking genomen en ook het de mens tot nu toe toegekomen weten. Want volledig inzicht kan niet als maatsaf gelden, daar deze pas door de liefde kan worden verkregen.

Maar in overeenstemming met de liefde wordt de mens beoordeeld en deze kan in ieder mens worden ontstoken en opvlammen, maar de liefdevonk kan ook verstikt worden en dat betekent altijd ook slecht denken en handelen, dat tevoorschijn komt, zodra de mens zich als "wezen" bewust wordt, dat zijn wil kan gebruiken en dat deze zijn wil gebruiken zal, passend bij zijn kwade - niet tot liefde genegen ziel en dat zich ook voor een hem toegekomen weten zal afsluiten, dus deze innerlijke kwade aandrift niet door "inzicht" wordt verstikt. Pas wanneer een kind kan worden beïnvloed iets goeds te doen, kan deze kwade instinctieve drang verloren gaan en dan kan ook de stem van het geweten zich weer duidelijker uiten.

En daarom rust er een hele grote verantwoording op de ouders, die er alles aan zouden moeten doen in het kind de liefde te wekken, die het moeten aansporen wat behulpzaam te zijn en zo in de kinderen het gevoel om hulpvaardig te zijn ontwikkelen en al te egoïstische neigingen in hen te verstikken. Want zodra de liefdevonk maar ontstoken is, zal die zich ook uitbreiden en zal de ziel niet meer in duisternis gehuld zijn, het zal vanzelf licht worden in het hart en het denken en handelen van het kind zal nu al een bewust denken en handelen zijn en kan het spoedig ook het licht van het inzicht opleveren, zodra hem nu het overeenkomstige weten wordt overgebracht. Want de liefde is alles en ieder mens is tot liefde in staat, omdat God Zelf in ieder mens een vonk heeft gelegd, het aandeel van Hem Zelf, om hem uit de toestand van de dood in de toestand van het leven terug te leiden.

Amen