BD.7158
2 en 3 juli 1958
Reden van het ontstaan van de schepping
Wat zich heeft voltrokken in het rijk der geesten, was de
reden van het ontstaan van de schepping, van het volledige universum met
al zijn scheppingen van geestelijke en materiële aard. Voor het ontstaan
van deze scheppingen bestond alleen het geestelijke rijk, het was een
wereld van onmetelijke zaligheden, waarin geestelijke wezens zich verheugden
over hun bestaan en die in het bezit van kracht en licht konden scheppen,
al naar gelang hun bestemming. En dit "scheppen" bestond weer
uit geestelijke scheppingen, in het verwerkelijken van gedachten en ideeën,
die deze wezens vanuit God toestroomden en die zij in onmetelijke zaligheid
nu tot uitvoer brachten, omdat hun de kracht daartoe ter beschikking stond
en zij ook hun wil vrij konden gebruiken.
En deze toestand van zaligheid van de geestelijke wezens had nooit hoeven
te veranderen, zij hadden geen beperking van hun kracht noch vermindering
van het licht te vrezen, zolang in hen de liefde tot hun God en Schepper
onveranderd bleef en zij dus doorstraald werden met het goddelijke liefdelicht.
Maar toen deed de toestand zijn intrede, waarbij de wezens een nieuw inzicht
verkregen, waarbij hun van de zijde van de lichtdrager Lucifer - van het
eerst-geschapen wezen - de Eeuwige Godheid, omdat Hij niet zichtbaar was,
als twijfelachtig werd voorgesteld, waarbij hij zichzelf voorstelde als
degene, van wie alle geestelijke wezens uitgegaan waren, en die van hen
nu ook de erkenning als god en schepper verlangde.
Nu werden de wezens in een tweestrijd gebracht, want hun liefde gold Hem,
Die hen geschapen had - maar de voorstelling van Lucifer bracht hen in
verwarring, ja ze scheen hen geloofwaardiger, want er ging een glans en
lichtstraling van Lucifer uit en ook zij waren niet bij machte een boven
hem staand wezen te aanschouwen. Alleen was in hen nog het licht van het
inzicht, als gevolg waarvan zij ook de voorstelling van Lucifer in twijfel
trokken.
Maar momenten van inzicht en kleine vertroebelingen begonnen elkaar nu
af te wisselen, en hoe meer het wezen zich aan dit laatste overgaf, des
te langer duurden de fasen van verduisterd denken, dan wel: de gedachten
werden helder, en het wezen zag helder zijn ware herkomst in. En in dit
laatste geval was Lucifer niet bij machte hun inzicht te vertroebelen.
Degenen met vertroebelde gedachten echter kreeg hij al gauw in zijn macht,
en ze sloten zich bij hem aan en zagen in hem hun god en schepper, omdat
zij de momenten vol van licht weerden, die steeds weer ook in hen opdoken,
voordat de definitieve val in de diepte plaatsvond.
De onverminderde kracht die Lucifer van begin af aan bezat, had een ontelbaar
leger van zaligste geestelijke wezens in het leven geroepen, en uit deze
overvloed van zijn scheppingen, groeide in hem een vals zelfbewustzijn.
Hij zag niet meer de Bron, uit Welke hij deze kracht geput had, maar hij
zag alleen nog "bewijzen" van de kracht, die hem doorstroomd
had, en deze wilde hij alleen en uitsluitend voor zichzelf bezitten, hoewel
hij wist, dat ze ook Hem toebehoorden, uit Wiens kracht hij scheppen mocht.
Maar hij wilde ze niet alleen bezitten, maar ook in deze wezens het licht
verduisteren dat hen heel duidelijk hun herkomst openbaarde. En het lukte
hem aldus, de wezens in een tweestrijd te storten, die echter ook hun
gelukzaligheid verminderde en hun scheppende werkzaamheid belemmerde -
tot ze definitief gekozen hadden voor hun heer en daardoor zowel de wezens
als ook de lichtdrager hun kracht en het licht inboetten en in de duisternis
stortten.
En deze geestelijke gebeurtenis, die jullie mensen slechts in grote lijnen
verklaard kan worden, was aanleiding voor het ontstaan van eindeloze scheppingen
van geestelijke en materiële aard. (3 juli) Deze scheppingen zijn
slechts het omgevormde, afgevallen geestelijke. Door deze afval van God,
dus eindeloos verre verwijdering van Hem, werd het in zijn substantie
steeds harder, hoe verder het viel. Dit moet zo worden begrepen, dat de
geestelijke kracht uit God, die tot steeds levendiger werkzaamheid aanzet,
dit geestelijke niet meer kon beroeren, omdat het zichzelf daartegen verzette;
en zo hield de werkzaamheid op, de beweeglijkheid verstarde, het leven
- en wat achterbleef, was volledig verharde substantie, weliswaar oorspronkelijk
door God uitgestraalde kracht, maar volledig onwerkzaam geworden.
Maar Gods liefde en wijsheid had het geestelijke oospronkelijk een andere
bestemming toebedacht: ononderbroken werkzaamheid naar Zijn wil, die echter
tegelijkertijd ook de wil van het wezen moest zijn. De geestelijke wezens
hadden in strijd met hun bestemming gehandeld, ze wilden hun kracht benutten
tegen Gods wil, maar ze konden het niet meer, omdat ze zichzelf door hun
afval van hun kracht beroofd hadden.
Nu greep Gods liefde weer het geheel verharde geestelijke aan, dat zichzelf
niet meer herkende, dat slechts een samenballing van zich tegen God verzettende
geestelijke substanties was. De kracht van Zijn liefde dreef deze substanties
uit elkaar en liet daaruit de meest veelzijdige scheppingswerken ontstaan.
Hij vormde dus als het ware de eens van Hem uitgestraalde kracht om, Hij
gaf elk afzonderlijk scheppingswerk zijn bestemming, die nu ook vervuld
werd in de wet van "je moet", zodat het opgeloste geestelijke
nu tot werkzaamheid gedwongen werd, maar zonder iedere vorm van ik-bewustzijn,
dat het tevoren als geestelijk wezen bezeten had.
De scheppingen zijn dus eigenlijk niets anders dan dat, wat in het allereerste
begin van God als wezen uitgegaan was, maar in volledig veranderde toestand,
wat zijn volmaaktheid betreft. Want alle scheppingen zijn of bevatten
slechts het onvolmaakt geestelijke, dat op de terugweg is naar God. De
volmaakte geestelijke wezens hadden geen materiële scheppingen nodig,
zij brachten vanuit zichzelf alleen hun ideeën en gedachten voort,
maar dit waren weer alleen geestelijke produkten van hun wil en hun denken
en hun onbegrensde kracht. Het was een wereld, waarin zich ook alleen
maar het volmaakte bevond. Daarbinnen bestonden generlei gebreken, generlei
beperkingen en generlei tekortkomingen. Want deze traden pas naar voren,
toen het universum van God afgevallen wezens bevatte, toen het onvolkomen
geestelijke omhulsels nodig had, waarin het gedwongen werd tot werkzaamheid.
Waar zich dus deze of gene vormen bevinden, is ook het onvolkomen geestelijke
daarin verbannen, en hoe vaster deze vormen zijn, des te meer verhard
en zich tegen God verzettend is het daarin gebonden geestelijke. Maar
ook de vorm zelf - de materie - bestaat uit zulke onvolkomen substanties,
die alleen door de kracht van Gods liefde bijeengehouden worden, om een
doel te dienen: als dragers van geestelijke wezens dezen te helpen omhoog
te klimmen. De kracht van Gods liefde omhult al deze geestelijke substanties,
maar ze werkt niet dwingend op hen in inzoverre, als zou ze de weerstand
met geweld breken.
Het scheppingswerk moet weliswaar een bepaalde werkzaamheid verrichten
naar Gods wil, maar daarin wordt het geestelijke niet gedwongen zich tot
God te wenden. Daarom kan het ook gebeuren, dat het tot een oerwezen behorend
geestelijke de gehele gang door de scheppingswerken aflegt tot aan de
laatste belichaming als mens en toch het verzet tegen God nog niet opgegeven
heeft, omdat zijn vrije wil dit tot stand moet brengen, die zich even
gemakkelijk weer op de heer der duisternis kan richten. Maar de continue
werkzaamheid in dwangstoestand brengt meestal een vermindering van de
weerstand tegen God teweeg, omdat het wezenlijke reeds bij de geringste
zelfwerkzaamheid een zeker welbevinden ondervindt, omdat een uiting van
kracht beantwoordt aan zijn oerwezen.
De ontelbare sterrenwerelden, alle zich daarin bevindende scheppingen,
zijn het gevolg van deze toenmalige afval in het rijk der geesten. Ze
zullen nog eeuwigheden bestaan, er zullen steeds nieuwe scheppingen ontstaan,
om voor al het eens gevallene de weg van de terugkeer naar God mogelijk
te maken. Er zullen eeuwigheden voorbij gaan, totdat het werk van het
terugvoeren volbracht is, totdat ook het laatste verharde geestelijke
zal zijn opgelost en de weg van de terugkeer kan betreden.
Maar eenmaal zullen al deze scheppingen zich vergeestelijkt hebben, eenmaal
zal er weer slechts een "geestelijke wereld" bestaan, waar al
het geestelijke, in eenheid met de wil van God, werkzaam en onvergelijkelijk
gelukzalig is - eens zal God het doel bereikt hebben, dat Hij niet alleen
"schepselen", maar "kinderen" om zich heen heeft,
die Hij de grootste gelukzaligheden bereiden kan, omdat Zijn oneindige
liefde Hem tot voortdurend gelukig maken aanzet en Hem ook niet eerder
laat rusten, tot Hij zijn doel bereikt heeft.
Amen |