Banner Ga naar biografie Ga naar voorwoord Ga naar themaboekjes Ga naar links Ga naar register Ga naar Duitse Teksten Ga naar downloads

BD.8117
5 maart 1962

De individualiteit van de ziel (2)

Ik wil u nogmaals een opheldering over de ziel geven, opdat het helemaal duidelijk in u wordt. Van het geestelijke, dat Ik het leven gaf, dat wil zeggen: dat Ik als iets wezenlijks buiten Mijzelf plaatste, kunt u de individualiteit niet ontkennen. Het was een wezen naar Mijn evenbeeld geschapen, het werd als geheel afzonderlijk door Mij in de oneindigheid geplaatst, het was ik-bewust en herkende zich dus ook als een denkend wezen met vrije wil.

Het was een miniatuur van Mijzelf, maar in verhouding met Mijn Oervolheid was het toch maar een nietigheid, zodat wel van een vonkje uit de zee van vuur van Mijn Liefdekracht gesproken kan worden. En toch had het een eigen aard waardoor het over zichzelf beslissen kon, behalve dan dat het voortdurend door het toestromen van Mijn Liefdekracht met Mij verbonden was, wat echter het wezen zelf op geen enkele wijze belemmerde.

Het was vrij en vol licht en kracht. Het was een goddelijk schepsel dat in hoogste volmaaktheid uit Mij was voortgekomen, dus ook op geen enkele manier een beperking van Mijn kant uit ondervond. Iedere begrenzing of beperking van zijn licht en kracht heeft het zichzelf aangedaan omdat het vrij over zichzelf beslissen kon.

En datzelfde geldt ook voor alle geestelijke wezens die de eerst geschapen geest met gebruik van Mijn Kracht in het leven riep, door zijn vrije wil. Zij waren evenzo hoogst volmaakt en ieder wezen was zich van zichzelf bewust, dus een afzonderlijk wezen dat op zichzelf geplaatst in alle zelfstandigheid in het geestelijke rijk in vrije wil kon scheppen en werken. Geen wezen was dus door dwang aan Mij en Mijn Wezen gebonden. Ieder wezen bewoog zich vrij en op zich zelf temidden van geestelijke scheppingen en was onmetelijk zalig.

Wanneer er nu dus over een "val der geesten" gesproken wordt, het afzinken van de oergeesten in de diepte, dan is dat zo te verstaan dat de wezens zich verzetten het aanstralen van Mijn Liefde aan te nemen, dat zij de krachtstroom van Mijn liefde afwezen, die onafgebroken van Mij uitging en alles doorstroomde met licht en kracht. Zij namen Mijn Geest van liefde niet meer aan en scheidden zich vrijwillig van Mij, maar konden toch nooit vergaan omdat zij door Mij uitgestraalde Liefdekracht waren en dat ook blijven zullen tot in alle eeuwigheid.

Iedere gevallen oergeest was een wezen op zichzelf met een eigen aard, en dat blijft het ook tot in alle eeuwigheid. Het verwijderde zich van het Eeuwige Licht, van de Oerbron van Kracht en werd daardoor totaal zonder licht en kracht. Maar toch bleef het die oergeest, het wezen dat eens in hoogste volmaaktheid van Mij uitging. En al vindt nu ook het eindeloos lange proces van het terugbrengen tot Mij plaats, waarin dat wezen is opgelost en in zijn partikeltjes door alle scheppingen moet gaan - al deze partikeltjes verzamelen zich weer en vormen in eindeloos lange perioden weer het ik-bewuste wezen, de gevallen oergeest - zodat die kort voor zijn voltooiing als ziel van een mens weer vrij beslissen kan of hij terug wil keren in het rijk van de gelukzaligste geesten, of zijn terugkeer weer eindeloos verlengt door eigen weerstand.

Doch dat ik-bewuste wezen - de mens - heeft deze eens door Mij buiten Mij geplaatste geest als ziel in zich en zal altijd en eeuwig hetzelfde individu zijn en blijven, dat eens uit Mij is voortgekomen. Het was volmaakt maar koos uit vrije wil de diepte, maar het verging niet en is en blijft eeuwig dat ik-bewuste wezen - met uitzondering gedurende het het werk van de terugvoering door de schepping, waarin hem het ik-bewustzijn ontnomen wordt, waarin het opgelost is en in de "je moet" toestand de weg van opwaarts gerichte ontwikkeling gaat.

En of dat wezen nu ook meermalen de weg door de scheppingen van de aarde moet gaan, steeds zal het datzelfde ik-bewuste wezen blijven dat zich eens van Mij afkeerde, dat Mijn Liefdekracht afwees en zodoende uit vrije wil de scheiding met Mij voltrok, die echter nooit meer kan plaatsvinden omdat alles wat uit Mij voortkomt onlosmakelijk met Mij verbonden is.

Dus de "afval der geesten" is ook letterlijk op te vatten. Wat Ik uitgestraald heb als ik-bewuste wezens is gevallen omdat Ik het niet verhinderde, omdat het in vrije wil over zichzelf kon beslissen. En dit wezen, deze geest moet weer in hoogste volmaaktheid tot Mij terugkeren als het zich weer met Mij verenigen wil, om dan voor eeuwig onvergelijkelijk zalig te zijn.

Want zodra Ik het wezen met Mijn Liefde weer kan aanstralen is het ook weer in zijn oertoestand teruggekeerd. Maar altijd blijft het zich bewust van zijn eigenheid. Het is innig met Mij versmolten en toch een vrij wezen dat evenwel geheel in Mijn Wil is binnengegaan, en daarom ook met Mij kan scheppen en werken en onmetelijk zalig is.

Amen