Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.0820
21 maart 1939

Gevaar van lauwheid - Achteruitgang - Uiterste worsteling van de ziel

Het is een lange weg tot aan de voltooiing. Als de ziel zich staande heeft gehouden in het verzet tegen de macht die streeft naar haar ondergang, en ze heeft haar uitgaan uit God beseft, dan blijft ze wel in voortdurende bescherming van haar geestelijke vrienden, die haar tot hulp bereid terzijde staan. Maar voor haar streven naar volmaaktheid moet ze de drijfveer in zichzelf vinden. Haar wil moet als het ware ononderbroken werkzaam blijven om tot volmaaktheid te komen. Elk afwijken van de juiste weg, elke traagheid en nalatigheid moet door verdubbelde overgave en arbeid aan zichzelf gecompenseerd worden en dit kan niet vervangen worden door andermans kracht of hulp.

Met de eigen wil bereikt de ziel alles, zonder haar wil niets. Daarom mag er ook geen stilstand optreden in het verlangen om de hoogte te bereiken. Want een stilstand betekent hetzelfde als een achteruitgang. Een mens, wiens ziel niet meer voor het eeuwige heil werkzaam is, zal zich met zekerheid weer naar de wereld toewenden om juist één of andere bezigheid te hebben en de verbinding met de materie weer tot stand brengen, in plaats van zich van haar te scheiden, wat zijn eigenlijke opdracht is.

En dus is het gevaar van een teruggang steeds veel groter dan de stilstand, want dat laatste duurt slechts een korte tijd en dan wijdt de mens zich opnieuw aan zijn geestelijke arbeid. Of hij verwijdert zich ervan, waar eenieder er angstvallig zijn best voor zou moeten doen om dat de voorkomen. Want van de gelegenheid van een achteruitgang maken de steeds in een hinderlaag liggende slechte krachten onmiddellijk gebruik en ze werken van hun kant met alle hun ter beschikking staande middelen op zo'n ziel in. Dan begint de strijd opnieuw en vereist het volle weerstandsvermogen en de inzetbereidheid.

Elke ziel moet er daarom steeds alleen voor zorgen dat ze niet moe wordt in haar streven naar boven. Ze moet zich door voortdurend gebed dagelijks van de goddelijke genade verzekeren en zich vol vertrouwen in elke nood en in het gevaar van lauwheid tot de Vader in de hemel wenden om hulp. Dit vereist al de wil van het mensenkind. En zodra de wil juist door het gebed werkzaam wordt, blijft de ziel voortdurend aan zichzelf werken en het gevaar van een achteruitgang is geweken.

Ondenkbaar lange tijden heeft haar strijd al geduurd en al worden er ook tijdens het aardse leven grote eisen aan de ziel gesteld, dan moet de ziel juist nu toch onvermoeibaar worstelen om te slagen voor de laatste proef en haar gedwongen toestand te kunnen verlaten en als een vrij, licht wezen alle heerlijkheden van God te aanschouwen en in de vereniging met het hoogste Wezen een eeuwig geluk te vinden. Ze moet daarom bewust breken met dat, wat haar nog met de wereld en de materie verbindt, hoewel haar lichaam nog op aarde verblijft. Maar de ziel kan vooruitsnellen in het gebied van de hoogste zaligheid, wanneer ze voortdurend haar wil werkzaam laat worden en elk verslappen van het geestelijke streven verhindert of daartegen vecht.

Amen